In 2025 liep 16,5% van de Belgische bevolking het risico op armoede of sociale uitsluiting. Dat komt neer op meer dan 1,9 miljoen personen. De cijfers zijn gebaseerd op de jaarlijkse enquête naar inkomens en levensomstandigheden SILC van Statbel, die indicatoren rond armoede, ongelijkheid en levensomstandigheden opvolgt.

AROPE: één indicator met drie mogelijke risicofactoren

Wie onder de Europese AROPE-indicator valt, wordt geconfronteerd met minstens één van drie situaties: een inkomen onder de armoededrempel (monetair armoederisico), leven in een huishouden met zeer lage werkintensiteit, of ernstige materiële en sociale deprivatie. In 2025 ging het om 10,9% met een inkomen onder de armoededrempel, 11,0% in huishoudens met lage werkintensiteit en 4,9% met ernstige materiële en sociale deprivatie.

Grote verschillen tussen de gewesten

Net zoals in eerdere jaren blijven de regionale contrasten uitgesproken. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest noteert de hoogste niveaus van armoede en sociale uitsluiting, het Vlaams Gewest de laagste aandelen op alle indicatoren. Het Waals Gewest situeert zich tussen beide, maar ligt volgens Statbel wel boven het nationale niveau.

Trends sinds 2019: daling van de kernindicatoren

Over de periode 2019–2025 daalde de AROPE-indicator van 20,1% naar 16,5%. Ook de subindicatoren gingen omlaag: lage werkintensiteit daalde van 12,9% (2019) naar 11,0% (2025), ernstige materiële en sociale deprivatie van 6,2% (2019) naar 4,9% (2025) en het monetaire armoederisico van 14,8% (2019) naar 10,9% (2025). Statbel merkt daarbij op dat de verschillen tussen 2024 en 2025 niet statistisch significant zijn, terwijl de daling tussen 2019 en 2025 voor AROPE en AROP wel significant is.

Armoededrempel stijgt, maar monetaire armoede neemt niet toe

De armoededrempel steeg mee met het mediaan inkomen. Voor een alleenstaande kwam die in 2025 uit op 18.780 euro per jaar (1.565 euro per maand), tegenover 1.522 euro per maand in 2024. Voor een huishouden met twee volwassenen en twee kinderen bedroeg de drempel 3.287 euro per maand (tegenover 3.197 euro in 2024). Ondanks die hogere drempel daalde het monetaire armoederisico van 11,4% (2024) naar 10,9% (2025), wat Statbel onder meer linkt aan inkomensstijgingen door indexering van lonen en pensioenen.

Subjectieve armoede: 15,5% ervaart moeite om rond te komen

Naast de objectieve indicatoren publiceert Statbel ook cijfers over subjectieve armoede. In 2025 gaf 15,5% aan dat het huishouden moeite (of grote moeite) heeft om de eindjes aan elkaar te knopen. Van de personen die volgens AROPE risico lopen op armoede of sociale uitsluiting, beschouwt 50,2% zichzelf ook als subjectief arm. De overlap is het grootst bij ernstige materiële en sociale deprivatie.

Relevantie voor credit management professionals

De cijfers bieden een macro-economische context die kan doorwerken in consumptie, betaalgedrag en de vraag naar gespreide betalingen en financiering. Voor finance teams zijn regionale verschillen en indicatoren zoals lage werkintensiteit en deprivatie relevant in scenario-analyses, portefeuillesegmentatie en het inschatten van cashflowvolatiliteit in B2C-markten. Ook voor beleid rond klantacceptatie, betaaloplossingen en incassostrategie kan een beter begrip van financiële kwetsbaarheid in de samenleving helpen om effectiviteit en compliance te verbeteren.

Bron: Statbel